|
VerzamelaarsJaarbeurs
20 & 21 november 2010 Jaarbeurs Utrecht |
|
• Home
• November 2010
• Showroom
• Verzamelaars test
• Dutch Collector Award 2009
• Waar
• Entree
• Links
• Foto impressie
English
|
|
VerzamelaarsJaarbeurs 17 & 18 november 2007VENEMA T-SHIRT COLLECTIONHET HOE EN WAAROM Toen ik twee jaar werd, ontvingen mijn ouders mijn allereerste t-shirt van een zuster van mijn moeder die al eind jaren ‘50 de benen had genomen naar Amerika, ze belandde uiteindelijk in Canada. Op mijn eerste t-shirt stond dan ook “TORONTO” (zie foto). Bij dat t- shirt hoorde een soort matrozenmuts. Een eerste aanwijzing dat t-shirts iets met Amerika en het leger te maken zouden kunnen hebben.
Ergens midden jaren ‘60 kreeg ik van een oudere neef een t-shirt met daarop een schip met een grote L (Big L), dat de activiteiten moest promoten van een zeezender annex piratenzender die ergens buiten de territoriale wateren lag en fantastische popmuziek uitzond. Veronica op 192 deed dat ook wel, maar toch werd daar de uitzending regelmatig vervuild met Gert & Hermien en dat was toch echt iets anders dan de première van Revolver van de Beatles. Te vaak per dag kreeg je de ‘grijze haren’ voor je kiezen. Het dragen van een t-shirt van Radio London was dan ook niet alleen leuk, het stond ook voor een keuze in de popmuziek. Helaas heb ik beide shirts niet meer. Eigenlijk is het net als met het verzamelen van tijdschriften (‘geïllustreerd populair’ in mijn geval), het betreffende produkt is nooit gemaakt om te bewaren, laat staan te verzamelen. Toch komt er met van alles een moment waarop het woord verzamelen opeens van toepassing is.
Ik kan me niet herinneren dat er t-shirts te koop waren bij de eerste popconcerten die ik bezocht, dat deed er destijds helemaal niet toe. Wel kon je natuurlijk ‘de blits’ maken met een (p)op-art shirt of nog liever een shirt van The Who waarin die twee zaken bij elkaar kwamen. Zo’n jasje gemaakt van een Engelse vlag was natuurlijk het summum, dat gaf op school een reden om naar huis gestuurd te worden vanwege het aanstootgevende, dan wel provocerende karakter. Een veel te strakke broek met uitlopende pijpen zoals je die kon kopiëren van de hoesjes van met name The Kinks, dat kon nog net op de HBS waar ik naar toe ging.
Ik kan me ook niet herinneren dat er bij de eerste, wat ‘ingewikkeldere’ popconcerten sprake was van het verkopen van concertsouvenirs (merchandising). Noch bij de concerten die ik zag van Nederbeat groepen, noch bij bands als Soft Machine of Iron Butterfly. Wel bestonden er hippe shirts met Che Guevara erop of Mao, maar die hadden niets met muziek van doen. En hoe hard ik er ook over nadenk, ik weet niet meer precies wat mijn eerste muziek gerelateerde concert - of bandshirt is geweest. Bewaren was niet aan de orde. Als kleren ’op’ waren gingen ze bij de poetsdoeken, naar de voddenman of in de vuilnisbak. Eind jaren zeventig kwam ik in contact met Herman Brood & His Wild Romance. Door een samenloop van omstandigheden ging me ontfermen over de fanclub. Op die manier kwam ik in aanraking met de merchandising, die ik ging beheren. Een Groningse fan en manusje-van-alles drukte het witte logo met verf op zwart shirts. Op het hoogtepunt van de Broodmanie droeg volgens mij half Nederland het bekende shirt in al z’n varianten (o.a. zwarte letters op een wit shirt, volgens Herman meer voor de dames).
Brood zelf had aanvankelijk slechts een pesthekel aan het ‘lipje’ in de nek, maar al snel ook aan de mouwtjes, omdat die te strak onder de armen zaten. Een shirt moest voor hem per definitie om het lijf gegoten zitten, niks XXXXL zoals Snoop Dog ze draagt. Dus gingen die mouwtjes er met de schaar nog voor de wedstrijd radicaal af en hield je vanzelf het model ‘Baretta’ over (naar de Amerikaanse tv serie over de detective met diezelfde naam) – al dan niet met V-hals.
Begin jaren tachtig, toen het verkopen van concertsouvenirs een grote vlucht nam, kwam de gemiddelde zaalhouder al snel op het idee om geld te vragen voor de verkoopplaats. Als concertorganisator in spé, bleef het bij Double You Concerts aanvankelijk beperkt tot ‘ruildeals’: geen geld voor een stand, maar na afloop van het concert een aantal gratis shirts voor de werkers, stagehands, security en het kassapersoneel. Professionele merchandising bedrijven als Bravado, Brockum en Winterland (het exploitatiebedrijf van wijlen Bill Graham, de Amerikaanse concertpromotor) vonden het geen probleem om te ‘swoppen’ als ze op die manier onder het staangeld uit konden komen.
Met de snelle groei van deze lucratieve bijhandel, probeerde iedereen zijn melkkoe te beschermen, hetzij door het deponeren van de rechten, dan wel door de verkoop ervan door derden op voorhand contractueel te verbieden. Het kwam ook voor dat het eigen personeel van een band ‘illegale wederverkopers’ buiten de poorten van het concert in kwestie zelf aanpakte, hetgeen wel eens kon uitlopen op een echte matpartij.
Het slangwoord in de Engelse rockbusiness voor een merchandiser is ‘swagman’. De souvenirverkoper was vaak een losvormig, dan wel wormvormig aanhangsel van een band, een vriendje of een huurling, en steeds vaker een routinier ingehuurd door een merchandisingbedrijf. Stond er vroeger bijna niks op een shirt over de maker of de licentiehouder, nu stond er steeds vaker een heel verhaal op over copyrights. Helaas wilde swagman naar aanleiding van dit soort professionele ontwikkelingen in de pop ook niet langer meer ‘swopman’ zijn. En het weggeven van shirts werd steeds meer een zaak tussen de productiemanager van de band en de voorman van de laad - en losploeg.
Sommige ’krijgertjes’ vond ik hartstikke mooi en stoer om te dragen. Net zoals Indianen een hele serie scalpen aan hun riem verzamelen en daarmee konden tonen dat ze je rauw lustten, zo kon je met een t-shirt laten zien dat je er ook bij geweest was, een soort kleur bekennen. In de tweede helft van de jaren tachtig was ik nogal eens bij concerten in London en keek mijn ogen uit. Bij Echo & The Bunnymen in de Royal Albert Hall zat een fan naast mij mee te zingen: hij droeg een t-shirt van Motorhead. Dat was thuis ondenkbaar, destijds. Tot één van mijn persoonlijke topcreaties reken ik wel het in een baldadige bui bij elkaar gebrainstormde Claw Boys Claw shirt ‘VOLKOMEN KUT’. Dankzij dit shirt burgerde ‘kut’ als krachtterm snel in om te pas te onpas gebezigd te worden. De sublieme letterkeuze was aan de zanger Peter Te Bos (tevens professioneel ontwerper Teboskin) zeer toevertrouwd. De gehele ‘styling’ van zijn band bewaakte hij op die manier met eigen hand en ontwerp. In 1994 betrok ik Peter bij het verzinnen van wat items voor het Lowlands festival en dat doet ie nu nog: elk jaar een complete collectie shirts voor de medewerkers en het gebruikelijke festival publieksshirt. Deze ontwerpen zijn ongelofelijk en kunnen mijns inziens zo elk museum in. De shirts die ik kreeg werden meestal eerst gedragen tot de gaten er invielen of tot ik er zelf op uitgekeken was. Ik heb nooit echt iets gehad met worn-shirts of gebleekte spijkerbroeken, dus het hele vintage idee ontgaat mij een beetje. Maar ik ben mij ervan bewust dat er een kleine moord gepleegd wordt voor een origineel Ramones shirt met logo, laat staan een crew model. Het ontwerp van zo’n beetje alles wat met de ‘styling’ van The Ramones te maken had, kwam van een vriendje van de band, Arturo Vega, een neonkunstenaar uit New York. Tijdens tournees speelde die tevens voor lichtman, maar overdag was hij druk doende om zoveel mogelijk ‘swag’ aan te rukken om ‘s avonds bij de concerten te verpatsen. Zijn specialiteit was om duizenden shirts buiten het zicht van de diverse douanes te houden door ze te verstoppen in de flightcases met de backline.
Al mijn shirts heb ik eigenlijk een beetje door toeval bewaard op stapeltjes in de kast, tot ik mijn huis moest verbouwen. Toen bleek dat een muizenfamilie haar toevlucht had genomen tot mijn geïmproviseerde sectie ‘festivalshirts’. Deze grijze plaag had door Parkpop, via Pinkpop naar Lowlands een tunnel geboord met aan het einde een reuze nest. Onherstelbare schade. Bij diezelfde verbouwing kwamen overal stapels shirts tevoorschijn en ik realiseerde mij dat de hele handel eigenlijk een mooi tijdsbeeld vormde en dat het jammer en zonde zou zijn, als ik de boel zou weggooien. Ik heb vervolgens plastic opbergkratten aangeschaft en de shirts afzonderlijk in plastic verpakt om verdere schade zoveel mogelijk te beperken. Het probleem is natuurlijk wel het volume van een dergelijke collectie: het zijn nu eenmaal geen postzegels.
Door mijn bemoeienis met Claw Boys Claw kwam ik aanraking met een paar jongens uit Nijmegen die bij concerten de shirts voor ons verkochten. Zij vormden al snel een merchandisingbedrijf genaamd ‘Thanx’. Deze toegewijde rock & roll beesten vol talloze goede, creatieve ideeën heb ik overal en zo vaak mogelijk bij concerten en festivals betrokken. Op Pinkpop staan ze nog steeds en ik kon indertijd de populariteit van bands die op Lowlands speelden na afloop afmeten aan de verkoop in hun stands. Een groep als De Heideroosjes viel mij aanvankelijk alleen op omdat ik hun shirt geweldig vond: helaas blijkt dat shirt nu in mijn collectie te ontbreken! De meeste shirts draag ik tegenwoordig vooral als onderhemd. Op vakantie draag ik nog wel eens een shirt op het strand, om hip te blijven
Bij de gedragen shirts (kwaliteit: worn) ontbreekt bij mij veelal het labeltje in de nek (zie boven), daardoor weet ik nu niet altijd meer van welk merk het shirt is. Ook de maat is dan natuurlijk zoek. De maatvoering van de shirts is een grote chaos, want small niet altijd small en extra small is soms wel heel erg klein na een wasbeurt.
Tot mijn favoriete kledingstukken behoorde lange tijd een t-shirt met lange mouwen zonder iets erop, dat ik van Mark Knopfler kreeg bij het eerste concert dat ik ooit met Dire Straits deed. Ook een blauw overhemd zonder kraag van Robert Palmer koesterde ik tot het uiteenviel. Een crew shirt van de Parallel Lines tournee van Blondie vind ik ook nog steeds mooi. Een ander dierbaar shirt is het beroemde en gewilde t-shirt van The Red Hot Chili Peppers (voordat het sokkenverhaal ging lopen) dat Thanx destijds van de Peppers mocht maken en verkopen. Hoewel ik het eigenlijk nooit meer draag.
Mijn nooit weggegooide stapels t-shirts zijn inmiddels al dan niet terecht door de organisator van de VerzamelaarsJaarbeurs gebombardeerd tot ‘De Collectie Venema’ – het zij zo.
Door toeval weet ik soms wie de ontwerper van de shirts is, maar van het gros is dat onbekend omdat het er zelden of nooit bijstaat. Mocht iemand additionele informatie hebben, dan stel ik die zeer op prijs om het bijbehorende verhaal van een shirt te completeren.
Bij wijze van grote opruiming gaan alle dubbele exemplaren de deur uit. Die zullen tijdens de VerzamelaarsJaarbeurs bij opbod verkocht worden. De opbrengst gaat naar het Koningin Wilhelmina Fonds (ook wel bekend als het Kankerfonds). W.VENEMA, KRALINGEN 07 OKTOBER 2007
|
|